OUTSOURCING De uit de jaren zestig stammende rekencentra van de banken waren in feite de eerste datacenters. Maar externe, carrier neutrale (door iedereen te huren) datacenters waaiden pas begin jaren negentig over uit de VS. Organisaties kunnen hun IT-architectuur intern houden, ze kunnen een eigen, extern datacenter bouwen of alles outsourcen, dat wil zeggen hardware - servers en server-racks - huren in een 'openbaar' datacenter. Sommige datacenters leveren daarbij ook nog hostingfaciliteiten en softwareapplicaties. Door het grote aanbod van traditionele kantoorruimte worden er volgens Willem Jonkmans, partner bij DTZ Zadelhoff. nog steeds datacenters in bestaande kantoorgebouwen ondergebracht. (Waar hij verwacht dat outsourcing steeds populairder wordt omdat datacenters aan zeer specifieke en hoge technische eisen moeten voldoen (zie kader).
Pieter Dijkhuis. financieel directeur van EvoSwitch (een carrier- en CO2-neutraal datacenter) ziet deze trend ook. "Ook omdat bedrijven steeds vaker hun IT fysiek willen centraliseren. overigens moet het MKB deze stap naar outsourcing nog wel maken, maar dat gebeurt waarschijnlijk binnen enkele jaren."
Roep om meer capaciteit, energiezuinigheid en duurzaamheid
SAMENSPEL Jonkmans stelt dat er geen duidelijk beeld is van de omvang van de datacentermarkt. Hij schat in dat er in Nederland circa zestig gerenommeerde bedrijven (van groot tot klein) zijn die de organisatie en exploitatie van datacenters managen. Wijngaarden houdt het op vijftien tot twintig grote partijen die specifiek carrier neutrale datacenters aanbieden. In ieder geval is er een aantal grote namen, vaak ook internationale spelers, die regelmatig terugkeren. zoals: Global Crossing, Telecity, Easynet, Schuberg Philis. Dergelijke bedrijven (vaak uit de IT of hosting hoek) zijn in feite de belangrijkste spelers in deze markt; zij zijn doorgaans de initiators van de bouw van datacenters en voeren het dagelijks management/exploitatie van de datacenters.
Volgens Jonkmans zijn het veelal jonge ondernemers, waar overigens sterke founders achter kunnen zitten, die toetreden tot deze markt. "Bij de opstart zoeken zij vaak steun bij leveranciers van serverapparatuur. Ook benaderen zij particuliere investeerders die, net als institutionele beleggers (bijvoorbeeld het ABP), steeds meer geïnteresseerd zijn in deze markt. Tenminste, op voorwaarde dat de exploitant/risicodrager van het datacenter een gerenommeerde partij is, de looptijd van de huurverplichting nog behoorlijk is, er gedurende de looptijd voldoende op het gebouw kan worden afgeschreven om een interessante overwaarde op het gebouw met ondergrond te realiseren."
Naast deze 'IT-achtige' partijen (als initiators) domineren de ingenieurs: de water- en elektrotechnici, werktuigbouwkundigen en brandbeveiligingsexperts zijn onmisbaar vanwege hun specifieke kennis. Dijkhuis noemt het vereiste kennisniveau op het gebied van onder andere elektrotechniek en koeling vergelijkbaar met dat in de utiliteitsbouw. Genoemde technici zijn vrijwel altijd opdrachtnemers en geen initiators. De realisatie van een data-center brengt twee werelden samen: de IT- en installatiewereld. "Verschillende culturen die niet altijd makkelijk met elkaar praten," aldus Dijkhuis. Ocom, de holding waar EvoSwitch deel van uitmaakt, koos ervoor om bij de bouw van haar datacenters zelfs als hoofdaannemer op te treden en alle benodigde specialisten in te huren.
Alternatief is om een turn key center te kopen. Doordat het bij datacenters allemaal draait om de binnenkant, om de ingenieurs, speelt de architect geen rol van betekenis. Volgens Harm-Jan Wijngaarden, programmadirecteur TCN Bytes, is het bouwen van een datacenter vanuit een bricks & morter-perspectief het makkelijkste dat er is. "Dat kan elke bouwer. De architectuur moet zo saai mogelijk zijn, een mooi gebouw schrikt huurders af. Daar waar je mooie architectuur wilt, wil je juist geen datacenter."
TOENEMENDE INTERESSE Afgezien van het simpele stenen stapelen, spelen de traditionele bouwers en ontwikkelaars in deze markt nog nauwelijks een rol. Te cyclisch, te specialistisch (een nichemarkt in het technisch vastgoed), te risicovol, mede doordat de alternatieve aanwendbaarheid van het gebouw laag is, en te kapitaalintensief. Jonkmans: "De realisatie van een traditionele bedrijfsruimte vergt doorgaans een investering van 700 tot 900 euro per m2, voor datacenters begint het dan pas. 1.500 tot 2.000 euro per m2 is geen uitzondering."
Maar dit zijn slechts indicaties en de kosten verschillen sterk per datacenter: een Tier IV datacenter is aanzienlijk duurder dan een Tier II (zie kader). Het sterk cyclische karakter van deze markt schrikt nieuwe toetreders ook af; je kunt nu gaan bouwen omdat er een capaciteitstekort is, maar over twee jaar, de gemiddelde realisatietijd, is de markt wellicht ingestort. Toch meent Koen Stegeman, persvoorlichter van EvoSwitch, dat je nu gerust kunt bouwen. "De huidige behoefte aan serverruimte is groot genoeg om voor de komende jaren voldoende vraag te garanderen."
Ook Jonkmans verwacht dat de markt voor datacenters groeit. "Doordat steeds meer bedrijven hun IT outsourcen en door de explosieve groei aan data die opgeslagen moet worden. Ook de behoefte aan dataopslag op twee verschillende locaties (co-locaties) zorgt voor marktgroei." Volgens hem is er nu nog maar een beperkt aantal ontwikkelaars, zoals Digit Pare en Kroon Vastgoed, dat specifiek datacenters ontwikkelt. Maar ondanks de stijgende vraag blijft het ook voor deze partijen van belang dat de betrokken huurder en achterliggende partijen solvabel zijn en dat de huurlooptijd voldoende lang is. Jonkmans: "Veelal verwerven initiatiefnemers zelf stukken grond waarop zij kunnen bouwen. Het blijft echter een kapitaalverslindende investering. Ze moeten zich dus al hebben bewezen met hun kennis van moderne technieken, ze moeten een stevige financiële achtergrond hebben en een goed netwerk bij bedrijven die hun IT outsourcen."
GOOGLE ALS KLANT Ook TCN stapte als een van de weinige 'traditionele' ontwikkelaars in deze markt. In eerste instantie doordat TCN een bestaand datacenter kon overnemen. Maar uiteindelijk werden er nog twee eigen centers ontwikkeld, bewust buiten de Amsterdamse regio omdat daar, aldus Wijngaarden, geen energietekort is. Overigens zijn de TCN-locaties in het nadeel als het gaat om data storage (raadpleging van opgeslagen data vereist replicatie van data en dat heeft geografische beperkingen). TCN kon vooraf rekenen op een grote huurder (Google) die een toezegging deed voor 7.000 van de in totaal 10.000 m2 Wijngaarden: "Wij konden modulair bouwen: je begint klein en je gaat pas bijbouwen zodra er meer klanten komen of er meer vraag vanuit bestaande klanten ontstaat. Zodra meer organisaties, zoals een Microsoft en Yahoo, vooraf gaan toezeggen dat ze vierkante meters willen, zullen meer ontwikkelaars hierop gaan inspringen."
GROEIEN & GROENER Tegenwoordig is het aantal vierkante meters minder relevant, maar draait het vooral om het aantal megawatt dat een datacenter kan leveren. Hoeveel megawatt de in Nederland gevestigde carrier neutrale datacenters tezamen leveren, kan niemand zeggen. Schattingen (uit de losse pols) lopen uiteen van circa 300 tot 1.000 MW. Wat wel vaststaat, is dat de huidige vraag het aanbod overtreft. Jonksman weet dat er technici zijn die voorspellen dat, wanneer de groei van internet het huidige tempo aanhoudt, in 2010 alle capaciteit aan elektra in de wereld verbruikt wordt aan internet.
Stegeman refereert aan Gartner die berekende dat vanaf 2009 wereldwijd de datacenters een tekort aan energiecapaciteit hebben. Mede daarom besloot brancheorganisatie ICT Office tot het opsteilen van het ICT-convenant. In 2020 moet IT-apparatuur dertig procent minder energie verbruiken. Voorlopig leidt het huidige tekort tot de bouw van extra datacenters, maar vooral tot het vergroten van de capaciteit van bestaande centers.
Wijngaarden schat in dat vanaf 2006 het aantal megawatt met bijna vijftig procent is gegroeid, maar dat deze uitbreiding vooral in het rack zit en niet zozeer in het aantal vierkante meters. De overstap op krachtiger bladeservers heeft hier een belangrijk aandeel in. Probleem is dat deze kleinere, geavanceerder servers veel heter worden en dus meer koeling - en dus meer elektriciteit -vergen. "In een rack passen 124 bladeservers tegen veertien normale servers. Datacenters krijgen dat niet gekoeld," aldus Wijngaarden.
Er wordt van alles aan gedaan om zowel de hardware als de datacenters zelf energiezuiniger te maken. Niet voor niets worden zij internationaal afgerekend op hun PUE (Power Usage Effectiveness; zie kader). McKinsey berekende (mei 2008) dat datacenters verspreid over de hele wereld per jaar 170 miljard kilo broeikasgassen produceren. Dat is meer dan de totale uitstoot van broeikasgassen in Nederland. In twaalf jaar tijd zal de wereldwijde uitstoot stijgen naar 760 miljard kilo (dat is meer dan wat het wereldwijde luchtvaartverkeer
produceert).
De roep om energiezuinigheid komt niet alleen voort uit de behoefte aan meer capaciteit, maar ook uit de behoefte aan groenere datacenters. Energiezuinigheid kan enerzijds worden bereikt door groene stroom in te kopen, anderzijds door een efficiënte inrichting van het datacenter die moet leiden tot een zo laag mogelijke PUE (bijvoorbeeld door luchtkoeling, free air koeling, virtualisering van servers, et cetera). Ondanks alle maatregelen zijn volgens McKinsey de huidige technologieën die de energie-uitstoot van datacenters moeten verminderen, onvoldoende om de trend te keren. En Wijngaarden meent dat er feitelijk nog geen groene datacenters bestaan, bovendien heeft het bij huurders nog geen prioriteit. "Pas als de continuïteit, het onderbrengen van hun energiebehoefte, is gewaarborgd, gaat groen spelen." Stegeman van EvoSwitch is hier positiever over: volgens hem is een groen datacenter wel mogelijk ("wij kunnen feitelijk aantonen dat onze locatie in Haarlem groen opereert") en dat het wel degelijk iets is waar huurders een datacenter op afrekenen. "Datacenters concurreren op een internationale markt, dan kun je niet meer om het duurzaamheidsissue heen!"
MOBIEL
Deels in antwoord op de vraag naar extra capaciteit ontwikkelen partijen als SUN Microsystems mobiele, in containers, gehuisveste datacenters. Dit meldt Computable (10 04 2007); in het artikel zegt Microsoft onderzoeker James Hamilton dat datacenters in zelfstandige en onbemande componenten de toekomst hebben. Jonkmans deelt deze mening niet en wijst op het feit dat de locatie van een center niet uitmaakt (dus waarom mobiel) en dat het lastiger te beveiligen is.
Ook Dijkhuis ziet ze niet als alternatief voor Tier II, III en IV datacenters. "Ze zijn bepaald niet voordelig en er blijft een spanningsveld tussen schaal en modulariteit en daarmee de PUE. Wel zijn ze interessant als back up. SUN verkocht er een aantal aan Nederlandse ziekenhuizen." Wijngaarden vindt ze vooral functioneel als er geen datacenter voorhanden is of een bestaand center onvoldoende rendabel is. "Een Russische telco met een enorme aanwas aan mobiele telefoon abonnees heeft parallel aan de bouw van een datacenter een mobiel center ingezet. De bouwperiode van twee jaar is te lang om op te wachten. Over tien jaar hebben mobiele datacenters wellicht vijf procent van de markt, nu is dat een procent."
Wijngaarden denkt bovendien dat ze juist een heel goede PUE waarde hebben. "Gecombineerd met groene energie zijn het misschien wel de groenste datacenters."
EISEN DATACENTER
• Beschikbaar vermogen. De belangrijkste eis die aan een datacenter gesteld wordt, is de hoogte van de te leveren elektriciteitscapaciteit (aantal megawatt).
• Hoogte PUE (Power Usage Effectiveness). Hoe effectief wordt er met energie omgesprongen? Een lagere PUE ratio leidt tot meer beschikbaar vermogen en tot een groener datacenter. Datacenters worden internationaal gebenchmarked op hun PUE ratio. Een PUE van 2 betekent dat voor elk KW uur server-verbruik er 2 KW nodig is voor koeling. overhead, et cetera. Oudere datacenters hebben meestal een PUE van ruim 2. volgens het ECM moet 1.3 theoretisch haalbaar zijn. EvoSwitch stelt lager uit te komen dan 1.6.
• Mate van redundantie: de mate van back-upvoorzieningen. Datacenters hebben een Tier classificatie. Tier I is de laagste: de technische installaties zijn niet redundant, ofwel er is geen back-up (goed voor 99.671 procent beschik baarheid). Tier IV is de hoogste: alle technische installaties zijn volledig redundant uitgevoerd (99.995 procent beschikbaarheid).
• Veiligheid locatie. De ligging van het gebouw moet veilig zijn. Het gebouw moet op zichzelf staan. onder meer om een goede (inbraak)beveiliging te kunnen waarborgen. Verder hebben branddetectie en blussystemen topprioriteit.
• Vloerconstructie. De vloeren moeten zware lasten kunnen dragen, moeten antistatisch en (soms) zwevend zijn.
• Geografische ligging (afstand) ten opzichte van een internethub.










